FBW Architecten logo

History

Architectenbureau FBW, waaraan Antoni Scholtens Folkers, Belinda van Buiten en Geoff Wilks hun naam hebben verbonden, heeft zijn wortels in Afrika. Dat maakt het bureau interessant in de Hollandse context.
Al tijdens zijn studie bouwkunde aan de Technische Universiteit van Delft was Folkers betrokken bij projecten in ontwikkelingslanden. Zoals bij de bouw van een projectkantoor in adobe voor de medewerkers van een team dat werkt aan de verbetering van squatterkolonies in Ouagadougou, Burkina Faso. Deze werkwijze is gebaseerd op een bottum up benadering van de behoeften en kundigheden van de bewoners zelf, in plaats van de gebruikelijke top down aanpak.

De studie in Delft biedt de ondernemende, actieve, sociaal bevlogen student kennelijk te weinig uitdaging. Na zijn afstuderen (1984) is het door alle buitenlandse ervaringen niet vanzelfsprekend om in Nederland als aankomend ontwerper op een architectenbureau aan de slag te gaan. In Delft heeft hij zijn toekomstige vrouw en partner ontmoet, Belinda van Buiten. Dankzij Folkers’ internationale contacten wordt hij in 1987 door het Duitse architecten- en ingenieursbureau L+P (opgericht door Georg Lippsmeier die hét standaardwerk over bouwen in de tropen schreef) en het Institut für Tropenbau als ‘resident architect’ uitgezonden naar Dar es Salaam, Tanzania. Van Buiten voegt zich vanaf 1987 bij Folkers in Tanzania, maar keert in 1990 terug naar Nederland om te gaan werken op het gerenommeerde architectenbureau van H.J. Henket.

In 1993 richten zij de maatschap Folkers en Van Buiten op; in 1995 associeert het bureau met de Britse constructeur Geoff Wilks onder de naam FBW. 

 De Afrikaanse fase heeft van 1987 tot 2000 geduurd. Folkers en Van Buiten pendelden op en neer tussen Nederland en Afrika (vooral Oeganda en Tanzania); Van Buiten heeft enige kleinere opdrachten in Nederland. In 2000 vestigden zij zich definitief in Utrecht. Folkers miste in Afrika de discussie met vakgenoten. Bovendien wordt het voor een westerse architect steeds lastiger in Afrika te werken.

In een artikel in The Architectural Review (februari 2001) beschrijven Van Buiten en Folkers een situatie in Afrika waarbij het missiewerk, dat meer dan een eeuw zorgde voor de stichting van publieke voorzieningen als ziekenhuizen en scholen op het Afrikaanse platteland, niet meer welkom is. De opgebouwde kennis van de paters zal, vrezen zij, verloren gaan en de meer onherbergzame regio’s zullen verstoken worden van voorzieningen, omdat het voor Afrikaanse bouwers aantrekkelijker is in stedelijke milieus te investeren. Ook is er een omslag in de ontwikkelingspolitiek van westerse landen van projectgericht naar adviesgericht, van aanbod naar vraag. Waar vroeger elk project werd gecontroleerd en aangestuurd vanuit het westen, tot en met het verschepen van bouwmaterialen (halffabrikaten) toe, zullen de Afrikaanse landen nu zelf het initiatief moeten nemen.

Dat de bureaunaam FBW in Nederland blijft gehandhaafd, is een veelzeggend statement over de invloed die de periode in Afrika op leven en werk van Folkers en Van Buiten heeft gehad. De banden worden niet verbroken. In Oeganda is een vestiging van FBW, die momenteel door voornamelijk Wilks wordt geleid. Folkers is voorzitter van ArchiAfrika, een internationale club van architecten, architectuurhistorici en critici die onderzoek doet naar - en bijeenkomsten organiseert over - geschiedenis en actualiteit van de architectuur in Afrika.

Discretio, de basis van het ontwerp

Folkers en Van Buiten krijgen in 2001 een subsidie van het Fonds Beeldende Kunst om hun ervaringen in Afrika op schrift te stellen. In de fraai uitgegeven studie ‘Discretio’ (2003) worden algemene beschouwingen gedaan over de Afrikaanse bouwgeschiedenis en de waarde van de moderne architectuur in ontwikkelingslanden, verbonden met persoonlijke ervaringen. Folkers en Van Buiten benoemen er hun motieven om in Afrika te werken. Eerst de zucht naar avontuur, uit idealisme en uit onvrede over de beperkingen van het ‘onderwijzersmodernisme’, zoals dat op de bouwkundeafdelingen in Nederland werd gedoceerd. Als reactie op de dogma’s van het modernisme ontstond er in Nederland een tegenbeweging van Nieuwe Truttigheid en postmoderne architectuur waarin Folkers weinig heil zag.

In Afrika werden zij geconfronteerd met uitzichtloze armoede en de onmacht van het westerse kapitalisme en het westerse bouwen om hier een uitweg uit te bieden, terwijl intussen de kennis over de traditionele bouwkunst in Afrika in vergetelheid raakte en de producten van deze bouwcultuur meer en meer verloren gingen. 

Gevoed door de Afrikaanse ervaring en de verschillen met de westerse omstandigheden, ontvouwt zich binnen FBW een sterke visie op de inhoud van het vak: het behoud van culturele diversiteit en respect voor de omgeving als basisvoorwaarden voor een creatieve ontplooiing als ontwerper. In Afrika staat kwaliteit in de eerste plaats voor een duurzaam, goed ontworpen en onderhoudsvrij shelter tegen het klimaat. Op het Afrikaanse platteland is er geen vraag naar stijlvastheid of stijlvormen, naar modes of avant-gardes, schrijft Folkers. Een architectuur van eenvoud impliceert volgens FBW een ‘natuurlijke’ omgang met materialen en technologie, dat wil zeggen bescheiden én hoogwaardig. Dit is discretio; dit is de sleutel voor goed bouwen, waar dan ook, in Afrika én de  westerse landen. 

De Afrikaanse ervaring en de les die FBW daaruit leert, staat voor gelijkwaardigheid en uitwisseling, respect voor de natuur, en begrip en waardering voor de verschillende tempi op een continent als Afrika. In Nederland zijn er voorbeelden van eenzelfde bewustwording die een inspiratiebron vormen voor FBW: De elementaire visie op de kern van het bouwen door negerstammen als de Dogon beïnvloedde Nederlandse architecten als Aldo van Eyck en Herman Hertzberger in de 2e helft van de twintigste eeuw. De reizen naar Afrika en de vertaling van ervaringen naar westerse bouwopdrachten verrijkten het werk van deze architecten. Een back to basic architectuuropvatting zoals FBW aanhangt is binnen het Nederlandse, sterk formalistische, gereguleerde en afgegrendelde architectuurklimaat een verademing.

De twintigers Folkers en Van Buiten hadden in Afrika kolossale opdrachten die je een beginnende architect in Nederland niet meteen ziet uitvoeren: ziekenhuizen, hotels, scholen, zelfs de voltooiing van twee kathedralen. Folkers: “Op een van de kathedralen moest een nieuwe spits worden gezet. Zonder gebruik van steigers. Je krijgt een vraag en gaat het gewoon doen”. Veel van de opdrachten voor ziekenhuizen en scholen waren afkomstig van charitatieve instellingen. Folkers spreekt met bewondering over de deskundigheid en inzet van de missionarissen die verantwoordelijk waren voor de bouwprocessen.

In de proeftuin Afrika hebben Folkers en Van Buiten geleerd, voor alles een oplossing te vinden en als de menselijke inventiviteit volledig is uitgeput, met minder tevreden te zijn. De plaatselijke omstandigheden van beperkte middelen en geringe deskundigheid, materiaalschaarste en klimaat moeten keer op keer overwonnen worden. Het vraagt van de architect een grote wendbaarheid en bescheidenheid in het oplossen van zowel ontwerptechnische als praktische problemen.  

De Afrikaanse projecten   

Sinds 2000 is Afrika voor FBW zowel achtergrond als inspiratie. De 15 jaar doorgebracht in Afrika vormden Belinda van Buiten en Antoni Folkers en natuurlijk trekken ze vergelijkingen. Ze maken zich zorgen over, zoals Folkers het omschrijft, ‘de bizarre rijkdom, het totale individualisme en desondanks het gebrek aan vrijheid’ in de westerse wereld.

In Afrika renoveerde en realiseerde FBW er de eenvoudig uitgevoerde, simpel te onderhouden ziekenhuizen op het platteland met hun ordening van paviljoens, galerijen, dubbele daken en grote dakoverstekken. Een kwestie van inlevingsvermogen wat een plattelandsziekenhuis of een school voor dove kinderen nodig heeft: juiste situering, oriëntatie op zon en wind, en vooral soberheid in materiaalkeus en afwerking. Ondanks de beperkingen zijn het goed vormgegeven complexen, de vormgeving zit in de vaste hand waarmee een passende maatvoering en schaal in het project zijn aangebracht. Folkers noemt de stijl van deze gebouwen ‘modern vernacular’, een relaxte, ambachtelijke, eenvoudige en neutrale vorm van eigentijds bouwen met specifieke klimaateigen kenmerken die door plaatselijke bouwvakkers kan worden gerealiseerd.

Aan de andere kant van het spectrum staan de twee elegante woonhuizen voor uitzonderlijke opdrachtgevers in Tanzania, zo ontworpen dat er niet of nauwelijks gebruik hoeft te worden gemaakt van kunstmatige koeling. Het grijs van de stevige natuurstenen muren van het huis in Arusha steekt fraai af tegen de okerkleuren van het omringende landschap; hiervoor werd gebruik gemaakt van een vrijwel vergeten steengroeve in de omgeving.

FBW ontwierp ook een aantal hotels waar juist gezocht werd naar een herstel of reïncarnatie van traditioneel vernacular (leembouw en hout), omdat blijkt dat deze vorm van bouwen aantrekkelijk is voor toeristen.

Het voorstel voor de overkapping van de ondergrondse kerken in Lalibela, Ethiopië, is kenmerkend voor de werkwijze van het bureau. Geen toegevoegde ‘architectuur’, geen nieuw handschrift naast die primitieve oerkracht van de kerken, alleen maar een lichtgewicht constructie, waartussen lichtdoorlatend doek wordt gespannen dat als een deken de neerslag van regen en zon tegenhoudt. Eenvoudig te verplaatsen, te vervangen en te repareren.

Folkers omschrijft zijn werkwijze ergens als verzet tegen een te individualistische vormoverheersing in de architectuur. Onherroepelijk leidt dit er volgens hem toe dat de ontwerper zich verwijdert van een maakbare architectuur, van maatschappelijk belang en fysieke context, sleutelwoorden in het propos van FBW.

Tekst: Gerda ten Cate